description
Herkomst
Nicolaas Doekscheer, veiling zijn nalatenschap, Rotterdam, Van der Schley et al, 9 september 1789, lotnr. 45 (385 fl. aan Fouquet)
Jean Jacques de Faesch, veiling zijn nalatenschap, de Vries et al, Amsterdam, 3-4 juli 1833, lotnr. 54 (810 fl. aan Chaplin, die bracht het naar Engeland)
Edward W. Lake, veiling Christie’s, Londen,11-12 juli 1845 (£137 aan Rutley)
Fritz Gans, Frankfurt, 1907
Met Bachstitz, Den Haag, ca. 1930
Baron Heinrich Thyssen-Bornemisza, 1930
Nalatenschap van barones Gabrielle Bentinck-Thyssen Bornemisza de Kaszòn, 1947;
Veiling Sotheby’s, Amsterdam, 1995
Privécollectie, Nederland
Tentoonstelling
Brighton Museum and Art Gallery, 1884, cat.nr. 177
Alte Pinakothek, München, 1930, cat.nr. 305
Alte Pinakothek, München, 1931
Kunstmuseum Bern, 1960
Museum Kunstpalast Düsseldorf, 1970-1971, cat.nr. 48
Kunstmuseum Düsseldorf, in bruikleen 1970-1986
Metropolitan Museum of Art, New York, in bruikleen 1982-1985
Lausanne, Zwitserland, 1986-1987, cat.nr. 32
Literatuur
J. Smith, A supplement to the Catalogue Raisonné, Vol. IX, 1842, p. 504, cat.nr. 80 (‘painted in a broad masterly manner’)
J. Westreehe, Jan Steen: Etude sur l’Art en Hollande, 1856, cat.nr. 396
C. Hofstede de Groot, A catalogue raisonné, Vol. I, 1907, p. 97, cat.nr. 364
R. Heinemann, Vol. I, 1937, cat.nr. 394/Vol. II, afb. 139
R. Andree, Kunstmuseum Düsseldorf-Malerei, 1976, cat.nr. 19
K. Braun, Het complete werk van Jan Steen, 1980, p. 124, cat.nr. 269, afb. p. 125.
De eend die uit de boom wordt gehaald is een tamme lok-eend, geplaatst in een stedelijke context waar zij geen natuurlijke functie heeft. Cruciaal is dat in de boom een korf hangt waarin een tamme eend huist of een wilde eend kan worden gelokt. De boom is dus geen natuurlijke habitat maar een kunstmatig ingerichte structuur. Het middel is tot doel geworden. Tegelijkertijd toont de scène een opvallende overvloed aan voedsel. Op de snijplank liggen intacte eieren, symbolen van potentieel leven en voeding. Op een schaal bij het vat ligt een reeds geslachte en geplukte eend, klaar voor bereiding. In een gevlochten kooi bevindt zich een levende eend en in de mand van de jongere man ligt eveneens een exemplaar. Het huishouden beschikt dus over meerdere eenden - levend, gevangen en reedsgeslacht - en toch wordt met moeite en risico nóg een dier bemachtigd. De inspanning is overbodig en onthult een vorm van hebzucht die niet uit noodzaak voortkomt.
De overdracht van de eend aan de jongere man introduceert een duidelijke generatie-dynamiek. Wat hier wordt doorgegeven is niet enkel voedsel, maar een handelwijze: het nastreven van voordeel langs een onzekere weg. De oude vrouw die de ladder ondersteunt maakt deze handeling tot een collectieve onderneming. Het jonge meisje dat een eend in haar armen houdt representeert de volgende generatie. Haar houding - de vogel dicht tegen zich aan, beschermend en bijna moederlijk - roept associaties op met het dragen van een kind. In combinatie met de intacte eieren op de tafel en de herhaalde aanwezigheid van eenden, dieren die in de vroegmoderne beeldtaal met voortplanting en paring worden geassocieerd, ontstaat een subtiele maar betekenisvolle verwijzing naar vruchtbaarheid en mogelijke zwangerschap. De levenscyclus is in het beeld aanwezig: van ouderdom via volwassenheid naar jeugd en toekomstig moederschap.
Deze vruchtbaarheids-laag versterkt de morele lading van de scène. Niet alleen gedrag maar ook levensomstandigheden worden doorgegeven. De vraag die impliciet wordt gesteld is welk huishouden het toekomstige kind zal erven: een omgeving van overvloed zonder maat, van nalatigheid en blind streven naar meer. In het licht van de levensboom wordt dit des te pregnanter: het leven zelf is aanwezig, maar wordt niet verzorgd, slechts benut.
Aan de rechterzijde staat een lachende jonge man die het geheel met zichtbaar genoegen gadeslaat. Deze figuur kan als een zelfportret van de jonge Jan Steen worden herkend en fungeert als interne commentator. Hij neemt niet deel aan de handeling, maar observeert haar met ironische distantie. Zijn glimlach onthult de absurditeit van het gebeuren en nodigt de beschouwer uit om hetzelfde inzicht te delen. In hem manifesteert zich het bewustzijn van de schilder, die de menselijke dwaasheid niet moraliserend maar met milde spot blootlegt.
Op de voorgrond een klein bruin-wit hondje dat richting de geslachte eend snuffelt en zo de onmiddellijke, instinctieve begeerte verbeeldt. In de achtergrond verrijst een kerktoren boven de huizen, een subtiele herinnering aan de religieuze en morele orde die in de scène zelf ontbreekt. Samen vormen deze elementen een coherent beeld van overvloed zonder inzicht, arbeid zonder noodzaak en opvoeding zonder richting. De blinde oude man op de ladder, de open put, de gewassen maar achteloos geplaatste pan, de kunstmatig ingerichte levensboom met eenden en korf, het aanwezige maar onbenutte voedsel, de vruchtbaarheidsmotieven en de lachende observator tonen een huishouden dat zijn prioriteiten heeft verloren en dit patroon doorgeeft aan de volgende generatie.
Bijzonder detail is de wit roodbruine hond, een zogenaamde kooiker of kooikertje. Een oudhollands ras dat met name werd gebruikt als werkhondje bij eendenkooien. Het hondje komt veelvuldig voor op de schilderijen van Jan Steen.
De Eendenboom wordt zo een metafoor voor het leven zelf: een leven dat niet in orde wordt gehouden, niet wordt begrepen en niet in evenwicht wordt geleefd. Steen laat zien hoe overvloed kan omslaan in onmatigheid, hoe middelen tot doelen worden verheven en hoe gedrag zich voortplant zonder reflectie. Door zichzelf als lachende toeschouwer in de marge te plaatsen, maakt hij de beschouwer medeplichtig aan het herkennen van deze komische maar scherpe moraal.
Nicolaas Doekscheer, veiling zijn nalatenschap, Rotterdam, Van der Schley et al, 9 september 1789, lotnr. 45 (385 fl. aan Fouquet)
Jean Jacques de Faesch, veiling zijn nalatenschap, de Vries et al, Amsterdam, 3-4 juli 1833, lotnr. 54 (810 fl. aan Chaplin, die bracht het naar Engeland)
Edward W. Lake, veiling Christie’s, Londen,11-12 juli 1845 (£137 aan Rutley)
Fritz Gans, Frankfurt, 1907
Met Bachstitz, Den Haag, ca. 1930
Baron Heinrich Thyssen-Bornemisza, 1930
Nalatenschap van barones Gabrielle Bentinck-Thyssen Bornemisza de Kaszòn, 1947;
Veiling Sotheby’s, Amsterdam, 1995
Privécollectie, Nederland
Tentoonstelling
Brighton Museum and Art Gallery, 1884, cat.nr. 177
Alte Pinakothek, München, 1930, cat.nr. 305
Alte Pinakothek, München, 1931
Kunstmuseum Bern, 1960
Museum Kunstpalast Düsseldorf, 1970-1971, cat.nr. 48
Kunstmuseum Düsseldorf, in bruikleen 1970-1986
Metropolitan Museum of Art, New York, in bruikleen 1982-1985
Lausanne, Zwitserland, 1986-1987, cat.nr. 32
Literatuur
J. Smith, A supplement to the Catalogue Raisonné, Vol. IX, 1842, p. 504, cat.nr. 80 (‘painted in a broad masterly manner’)
J. Westreehe, Jan Steen: Etude sur l’Art en Hollande, 1856, cat.nr. 396
C. Hofstede de Groot, A catalogue raisonné, Vol. I, 1907, p. 97, cat.nr. 364
R. Heinemann, Vol. I, 1937, cat.nr. 394/Vol. II, afb. 139
R. Andree, Kunstmuseum Düsseldorf-Malerei, 1976, cat.nr. 19
K. Braun, Het complete werk van Jan Steen, 1980, p. 124, cat.nr. 269, afb. p. 125.
De eend die uit de boom wordt gehaald is een tamme lok-eend, geplaatst in een stedelijke context waar zij geen natuurlijke functie heeft. Cruciaal is dat in de boom een korf hangt waarin een tamme eend huist of een wilde eend kan worden gelokt. De boom is dus geen natuurlijke habitat maar een kunstmatig ingerichte structuur. Het middel is tot doel geworden. Tegelijkertijd toont de scène een opvallende overvloed aan voedsel. Op de snijplank liggen intacte eieren, symbolen van potentieel leven en voeding. Op een schaal bij het vat ligt een reeds geslachte en geplukte eend, klaar voor bereiding. In een gevlochten kooi bevindt zich een levende eend en in de mand van de jongere man ligt eveneens een exemplaar. Het huishouden beschikt dus over meerdere eenden - levend, gevangen en reedsgeslacht - en toch wordt met moeite en risico nóg een dier bemachtigd. De inspanning is overbodig en onthult een vorm van hebzucht die niet uit noodzaak voortkomt.
De overdracht van de eend aan de jongere man introduceert een duidelijke generatie-dynamiek. Wat hier wordt doorgegeven is niet enkel voedsel, maar een handelwijze: het nastreven van voordeel langs een onzekere weg. De oude vrouw die de ladder ondersteunt maakt deze handeling tot een collectieve onderneming. Het jonge meisje dat een eend in haar armen houdt representeert de volgende generatie. Haar houding - de vogel dicht tegen zich aan, beschermend en bijna moederlijk - roept associaties op met het dragen van een kind. In combinatie met de intacte eieren op de tafel en de herhaalde aanwezigheid van eenden, dieren die in de vroegmoderne beeldtaal met voortplanting en paring worden geassocieerd, ontstaat een subtiele maar betekenisvolle verwijzing naar vruchtbaarheid en mogelijke zwangerschap. De levenscyclus is in het beeld aanwezig: van ouderdom via volwassenheid naar jeugd en toekomstig moederschap.
Deze vruchtbaarheids-laag versterkt de morele lading van de scène. Niet alleen gedrag maar ook levensomstandigheden worden doorgegeven. De vraag die impliciet wordt gesteld is welk huishouden het toekomstige kind zal erven: een omgeving van overvloed zonder maat, van nalatigheid en blind streven naar meer. In het licht van de levensboom wordt dit des te pregnanter: het leven zelf is aanwezig, maar wordt niet verzorgd, slechts benut.
Aan de rechterzijde staat een lachende jonge man die het geheel met zichtbaar genoegen gadeslaat. Deze figuur kan als een zelfportret van de jonge Jan Steen worden herkend en fungeert als interne commentator. Hij neemt niet deel aan de handeling, maar observeert haar met ironische distantie. Zijn glimlach onthult de absurditeit van het gebeuren en nodigt de beschouwer uit om hetzelfde inzicht te delen. In hem manifesteert zich het bewustzijn van de schilder, die de menselijke dwaasheid niet moraliserend maar met milde spot blootlegt.
Op de voorgrond een klein bruin-wit hondje dat richting de geslachte eend snuffelt en zo de onmiddellijke, instinctieve begeerte verbeeldt. In de achtergrond verrijst een kerktoren boven de huizen, een subtiele herinnering aan de religieuze en morele orde die in de scène zelf ontbreekt. Samen vormen deze elementen een coherent beeld van overvloed zonder inzicht, arbeid zonder noodzaak en opvoeding zonder richting. De blinde oude man op de ladder, de open put, de gewassen maar achteloos geplaatste pan, de kunstmatig ingerichte levensboom met eenden en korf, het aanwezige maar onbenutte voedsel, de vruchtbaarheidsmotieven en de lachende observator tonen een huishouden dat zijn prioriteiten heeft verloren en dit patroon doorgeeft aan de volgende generatie.
Bijzonder detail is de wit roodbruine hond, een zogenaamde kooiker of kooikertje. Een oudhollands ras dat met name werd gebruikt als werkhondje bij eendenkooien. Het hondje komt veelvuldig voor op de schilderijen van Jan Steen.
De Eendenboom wordt zo een metafoor voor het leven zelf: een leven dat niet in orde wordt gehouden, niet wordt begrepen en niet in evenwicht wordt geleefd. Steen laat zien hoe overvloed kan omslaan in onmatigheid, hoe middelen tot doelen worden verheven en hoe gedrag zich voortplant zonder reflectie. Door zichzelf als lachende toeschouwer in de marge te plaatsen, maakt hij de beschouwer medeplichtig aan het herkennen van deze komische maar scherpe moraal.
Jan Steen (Leiden 1626 - Leiden 1679)
De Eendenboom
olieverf op doek 86 x 68 cm.
gesigneerd l.o. en te dateren ca. 1666-1668
gesigneerd l.o. en te dateren ca. 1666-1668
Contact
Kunsthandel P. de Boer B.V.
Amsterdam