description
Ronde, geprofileerde voet met grove parelrand, waarboven een krans van laurierbladeren; op de welving gedreven wingerdbladeren, druiventrossen en korenaren; stam met vaasvormige nodus met bladmotieven aan de onderzijde en guirlandes aan de bovenzijde; stam met parelrand; tegen cuppa met gestileerde bladeren, afgezet met een sierrand; deksel met omwonden stengelkrans, op de welving voorzien van bloemfestoenen waaraan druiven en korenaren; als dekselbekroning een band, waarop een halve bol met stralenkruis, waartegen een doornenkroon. Inscriptie in de opstaande voetrand: ‘g.w. van elk 1799’.
Deze ciborie, een kelk met deksel waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard is vervaardigd in Boxmeer. Alleen al dat gegeven maakt de ciborie bijzonder.
Boxmeer op de linkeroever van de Maas in het land van Ravenstein valt tegenwoordig onder de provincie Noord Brabant. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw was het een soort van soevereine enclave in de Republiek waar goud en zilversmeden actief waren. Boxmeer hoorde bij het Duitse graafschap Bergh. Boxmeer had geen stadsrechten en telde in de achttiende eeuw niet meer dan ongeveer 1000 inwoners. De meesten behoorden tot de boerenstand. In de vrijheerlijkheid woonde nog een aantal katholieke semi-adellijke families die hierheen uitgeweken waren vanwege de protestantse repressie. Iedereen die toestemming kreeg van de graaf van Bergh mocht zich hier vestigen.
Boxmeers zilver neemt door de status aparte binnen de Republiek een bijzondere plaats in. Het staat vooral bekend om haar zilver voor de Katholieke eredienst dat in de wijde omgeving gretig aftrek vond. De ambachtslieden waren niet zoals in andere plaatsten georganiseerd in een gilde. Toch hadden de zilversmeden van Boxmeer hun eigen keuren.
De Boxmeerse keur bestaat uit het huiswapen van de Graven van Bergh, de heersers in Boxmeer: een staande leeuw omcirkeld door ballen en een bokje. Het bokje is afgeleid van een Boxmeers schepenzegel uit de 16de eeuw dat naar een zekere Jan Bock verwijst, een Gelders edelman die omstreeks 1283 de eerste vrije heer van Boxmeer was. De Boxmeerse zilversmeden brachten hun zilver niet zoals gebruikelijk was in andere plaatsten bij een keurkamer om het laten keuren met een stadskeur en een jaarletter. Zij hadden allemaal zelf een eigen stempel van een stadskeur dat zij insloegen in hun voorwerpen.
De goede naam van de meester zilversmid was blijkbaar voldoende waarborg. Hierdoor ontstaat echter het vreemde gegeven dat verschillende zilversmeden op hetzelfde moment een andere keur van het bokje gebruikten. Tot op heden zijn zeker 8 verschillende bokjes bekend die allen aan een andere zilversmid kunnen worden gekoppeld. Na de inval van de Fransen en de opheffing van de gilden veranderde dit. De enclaves Meghen, Ravenstein, Boxmeer en Gemert die oorspronkelijk bij het Duitse Bergh behoorden, worden aan de Bataafse Republiek toegewezen in ruil voor drie milioen gulden oorlogssubsidie aan Frankrijk.
Deze ciborie heeft de inscriptie G.W. van Elk 1799. Op basis van deze inscriptie wordt de ciborie gedateerd op 1799. Het is echter goed mogelijk dat het object iets eerder is vervaardigd.
Petrus Theonville was een bekende Boxmeerse zilversmid waarvan bestek, tasbeugels en kerkelijk zilver bekend is. Vermoedelijk stopte hij met werken in 1807. Er zijn geen werken na dat jaar van hem bekend.
Van zijn springende bok naar links is wel gezegd dat deze een tijdsbeeld toont. Ten tijde van de vrije heerlijkheid zijn alle bokjes vredig te noemen. Ten tijde van de Franse revolutie springen zij als een stil protest tegen de Franse bezetting.
Het liturgisch zilver dat in Boxmeer werd vervaardigd door Theonville en zijn collega’s zoals de zilversmedenfamilie Raab, vond gretig aftrek in de wijde omgeving van Boxmeer.
Deze ciborie is lang in het bezit geweest van de Sint Willibrordus kerk in Boven Leeuwen.
Deze kerk werd in 1916-1917 gebouwd en werd in 1918 geconsacreerd. In 2023 werd de kerk onttrokken aan de eredienst. De ciborie uit 1799 behoorde al tot de inventaris van de waterstaatkerk die in 1916 afbrandde. In 1904 wordt deze ciborie namelijk door Kalf vermeldt in een beschrijving van kerken. In 1796 werd Leeuwen weer een zelfstandige parochie onder pastoor Gerardus van der Sandt. Men kerkte aanvankelijk in een boerenschuur. In 1800 werd voor f 13000, - een schuurkerk met pastorie onder één dak gebouwd. In 1836 werd zij vervangen door een Waterstaatskerkje met een pastorie, die aan de Waalbandijk ten westen van de Waterstraat werd gebouwd. Deze kerk aan het Boveneind, die de kroon zette op het pastoraat van Franciscus Verploegen, was zowel voor Boven als Beneden-Leeuwen bestemd. Mogelijk is de ciborie al vlak na de oprichting van deze kerk in 1799 geschonken door de verder onbekende G.W. van Elk. De naam van Elk is zeer bekend in Beneden en Boven Leeuwen. De enige Van Elk met deze exacte initialen Gerardus Wilhelmus van Elk werd in 1800 geboren. Wellicht was hij een neef van de schenker. Onderzoek in de genealogie Van Elk heeft tot op heden nog niks naders opgeleverd.
44,5 cm hoog
Deze ciborie, een kelk met deksel waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard is vervaardigd in Boxmeer. Alleen al dat gegeven maakt de ciborie bijzonder.
Boxmeer op de linkeroever van de Maas in het land van Ravenstein valt tegenwoordig onder de provincie Noord Brabant. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw was het een soort van soevereine enclave in de Republiek waar goud en zilversmeden actief waren. Boxmeer hoorde bij het Duitse graafschap Bergh. Boxmeer had geen stadsrechten en telde in de achttiende eeuw niet meer dan ongeveer 1000 inwoners. De meesten behoorden tot de boerenstand. In de vrijheerlijkheid woonde nog een aantal katholieke semi-adellijke families die hierheen uitgeweken waren vanwege de protestantse repressie. Iedereen die toestemming kreeg van de graaf van Bergh mocht zich hier vestigen.
Boxmeers zilver neemt door de status aparte binnen de Republiek een bijzondere plaats in. Het staat vooral bekend om haar zilver voor de Katholieke eredienst dat in de wijde omgeving gretig aftrek vond. De ambachtslieden waren niet zoals in andere plaatsten georganiseerd in een gilde. Toch hadden de zilversmeden van Boxmeer hun eigen keuren.
De Boxmeerse keur bestaat uit het huiswapen van de Graven van Bergh, de heersers in Boxmeer: een staande leeuw omcirkeld door ballen en een bokje. Het bokje is afgeleid van een Boxmeers schepenzegel uit de 16de eeuw dat naar een zekere Jan Bock verwijst, een Gelders edelman die omstreeks 1283 de eerste vrije heer van Boxmeer was. De Boxmeerse zilversmeden brachten hun zilver niet zoals gebruikelijk was in andere plaatsten bij een keurkamer om het laten keuren met een stadskeur en een jaarletter. Zij hadden allemaal zelf een eigen stempel van een stadskeur dat zij insloegen in hun voorwerpen.
De goede naam van de meester zilversmid was blijkbaar voldoende waarborg. Hierdoor ontstaat echter het vreemde gegeven dat verschillende zilversmeden op hetzelfde moment een andere keur van het bokje gebruikten. Tot op heden zijn zeker 8 verschillende bokjes bekend die allen aan een andere zilversmid kunnen worden gekoppeld. Na de inval van de Fransen en de opheffing van de gilden veranderde dit. De enclaves Meghen, Ravenstein, Boxmeer en Gemert die oorspronkelijk bij het Duitse Bergh behoorden, worden aan de Bataafse Republiek toegewezen in ruil voor drie milioen gulden oorlogssubsidie aan Frankrijk.
Deze ciborie heeft de inscriptie G.W. van Elk 1799. Op basis van deze inscriptie wordt de ciborie gedateerd op 1799. Het is echter goed mogelijk dat het object iets eerder is vervaardigd.
Petrus Theonville was een bekende Boxmeerse zilversmid waarvan bestek, tasbeugels en kerkelijk zilver bekend is. Vermoedelijk stopte hij met werken in 1807. Er zijn geen werken na dat jaar van hem bekend.
Van zijn springende bok naar links is wel gezegd dat deze een tijdsbeeld toont. Ten tijde van de vrije heerlijkheid zijn alle bokjes vredig te noemen. Ten tijde van de Franse revolutie springen zij als een stil protest tegen de Franse bezetting.
Het liturgisch zilver dat in Boxmeer werd vervaardigd door Theonville en zijn collega’s zoals de zilversmedenfamilie Raab, vond gretig aftrek in de wijde omgeving van Boxmeer.
Deze ciborie is lang in het bezit geweest van de Sint Willibrordus kerk in Boven Leeuwen.
Deze kerk werd in 1916-1917 gebouwd en werd in 1918 geconsacreerd. In 2023 werd de kerk onttrokken aan de eredienst. De ciborie uit 1799 behoorde al tot de inventaris van de waterstaatkerk die in 1916 afbrandde. In 1904 wordt deze ciborie namelijk door Kalf vermeldt in een beschrijving van kerken. In 1796 werd Leeuwen weer een zelfstandige parochie onder pastoor Gerardus van der Sandt. Men kerkte aanvankelijk in een boerenschuur. In 1800 werd voor f 13000, - een schuurkerk met pastorie onder één dak gebouwd. In 1836 werd zij vervangen door een Waterstaatskerkje met een pastorie, die aan de Waalbandijk ten westen van de Waterstraat werd gebouwd. Deze kerk aan het Boveneind, die de kroon zette op het pastoraat van Franciscus Verploegen, was zowel voor Boven als Beneden-Leeuwen bestemd. Mogelijk is de ciborie al vlak na de oprichting van deze kerk in 1799 geschonken door de verder onbekende G.W. van Elk. De naam van Elk is zeer bekend in Beneden en Boven Leeuwen. De enige Van Elk met deze exacte initialen Gerardus Wilhelmus van Elk werd in 1800 geboren. Wellicht was hij een neef van de schenker. Onderzoek in de genealogie Van Elk heeft tot op heden nog niks naders opgeleverd.
44,5 cm hoog
T. A. Theonville (Boxmeer)
Zilveren Ciborie, T. A. Theonville 1799
Zilveren Ciborie, T A Theonville 1799, Boxmeer
Contact
Snackers Antiques & Fine Art
Maastricht